Dionysius Spranckhuysen over het uitstellen van de bekering

O geliefden, welke gelegenheid of genegenheid kan een mens hebben om alles bijeen te verzamelen en in het werk te stellen tot overwinning van de dood, die daar zieltogende nederligt?
Behalve dat al zijn zinnen lusteloos en versuft zijn door de ziekte, overvallen hem van buiten nog veel meer bekommeringen.
Vrouw en kinderen bedroeven hem met wenen en kermen.
Zijn bekenden en vrienden vallen hem lastig door hun komen en gaan, met hun luisteren en fluisteren.
De doktoren komen en onderzoeken de aard van zijn ziekte. Zij controleren het water, betasten de pols en schrijven nu dit en dan dat voor. Nu en dan zuiveren zij zijn stoelgang, laten hem zweten en nemen hem bloed af. Soms openen zij een ader in de arm, in de voet of onder de tong. Ja, zij praten soms van opereren, en van een vinger, teen, hand of been af te zetten.
Door al die dingen wordt de patiŽnt zo afgemat, dat als er een dienaar van God komt om hem aan te spreken tot behoudenis van zijn ziel, hij moeilijk zoveel woorden kan verwerken.
Kortom, doorgaans is een zieke onbekwaam om enige gewichtige zaken te behartigen, inzonderheid tot dat grote werk, waarvan wij nu spreken.


(Voor een dergelijk vermaning van Thomas Boston klik hier.)

Uit: 'Sions Troostfontein' door Dionysius Spranckhuysen, blz. 119/120; uitgegeven door 'Uit Bethlehems Bornput'.