Dr. Davis toont aan dat uiterlijke schoonheid geen waarde heeft voor de eeuwigheid

Ik had wat te lang bij een patiŽnt vertoeft en spoedde mij naar een anderen. Deze was een schone rijke dame. Zij had op een bal een zware kou gevat, die haar toestand zorgelijk maakte. Al wat weelde kon vervatten of verschaffen was in haar ziekenkamer aanwezig, niets ontbrak er, dan den gezondheid van den eigenaresse. Nog was zij schoon, terwijl zij bleek daar neerlag.
Welk een pronkstuk is den mensch der schepping, zo dacht ik, en hoe boezemde mij dat gelaat belangstelling in. Hoe jammer dat er de zonde is langs gegaan; hoe jammer dat de ziel die er in woont, zwart is en onaanzienlijk is. En toch, dat kon zij niet geloven, en hare aanbidders geloofden het ook niet; haar mond en neus waren de prachtigste modellen voor het penceel. Zou in dat schone lichaam een onreine ziel kunnen wonen? Ik geloof, dat indien ik zulks met Ďja' beantwoordde, een menigte van hen, die als vlinders om een bloem om haar heen vliegen, op het laatste bal, gaarne met mijn bloed dien hoon zouden willen wreken . . . .
En toch zal ik niet zwijgen, maar luide verkondigen, dat in dit schone omkleedsel een bevlekte ziel huisvest. Zij is even als wij allen in zonden ontvangen en geboren en kan alzo van natuur niets anders dan zondigen. En dat er uit haar hart, zowel als dat van alle menschen, voortkomt, zoals Gods Woord getuigt, boosheid - hoererij - kwade begeerlijkheden en alle onreinheid. Nu ligt zij daar neder, haar ene voet als in het graf; weldra is zij ten prooi aan het gewormte, want ik vrees dat haar teder lichaam de schok niet zal te boven komen, en zoals de boom valt blijf hij liggen. Die boom viel op het bal, waar zal hare plaats zijn? Is er ook plaats voor de balbezoekers in den hemel? Gij die dit leest, beantwoord de vraag eens, maar leg bij dat alles het onderzoek in Gods Woord en sla deze teksten eens op (?) (Pr. 11:8) (Pr. 7:6) (Mar. 7:21-23) (Rom. 1:29-31) en meer anderen.
Ik verliet deze woning sober en droevig, omdat ik redenen had te geloven, dat de ziel uit dien schonen tabernakel zou worden overgebracht voor de vierschaar Gods, om te ontvangen het gene in dat lichaam geschiedt is, hetzij goed ofte kwaad.

Mijn weg bracht mij elders. Ik dacht: Wat vreemdsoortig mensch is toch een Docter; hij wandelt tusschen leven en dood en zijn woord klinkt als een orakel (godsspraak) en verkondigt dikwijls klagen, zuchten en wee. Dan weder is zijn boodschap vrede en herstelling, en waar hij komt hangt leven en dood aan zijne afspraak af. Ik begrijp daarom zeer goed dat vele Docters zo lang mogelijk met herstel vleien, omdat ze daardoor zichzelven de taak te gemakkelijker maken; echter moesten al mijn ambtsbroeders bedenken dat het veel beter is een naderend onheil lang vooruit te voelen, dan daarmee iemand plotseling op het lijf te vallen. Menigmaal zag ik, hoe menigeen met herstel bleven vleien, totdat de dood die uitspraak leugenachtig maakte. Zij behoren te weten dat ook in dezen een gedenkboek voor Gods aangezicht is.

Docter Davis ('Den Zwarten Docter'), uit zijn aantekeningen over zijn ziekenbezoeken.