Een aangrijpend verhaal van een onbekeerde stervende

Den 18 November 18...

Ik ben moede van zuchten, mijn ziel schokt in mij heen en weer. Ontzetting grijpt mij aan: de tonelen waar ik de laatste dagen en nachten getuige van was, zullen mij niet licht uit het geheugen gaan. Ik wil ze optekenen, misschien kan het nog tot zegen van anderen zijn.

Het is juist acht dagen geleden, dat ik des nachts bij een zieke werd geroepen, die, zo betrekkingen veronderstelde, in doodsnood verkeerde. Ik stond weldra voor het bed van den zieke, die mij toescheen een man van 28 jaar te zijn, wiens gehele voorkomen ongewone lichaamssterkte aantekende. Hij lag in een verschrikkelijke benauwdheid en woelde van het ene einde in het bed naar het andere einde; en zijn gekerm ging mij door merg en been heen. Ik droeg enige medicijnen bij mij, zoals ik gewoon was, om dadelijk iemand te kunnen helpen. Enige toegediende droppelen brachten hem tot bedaren. Ik vraagde naar zijn toestand, onderzocht die, en vond die zeer gevaarlijk, terwijl de zielsbenauwdheid heviger scheen dan de smarten van t lichaam. Ik sprak hem zacht en vriendlijk aan, hem aanradende zich kalm te houden, terwijl ik alles zou aanwenden tot zijn herstel. Op een toon van onbeschrijvelijken angst riep hij uit: O Docter! De dood! De dood! En na de dood het oordeel! Ik moet sterven - - - mijn tijd is gekomen - - - uwe pogingen zullen niet baten Docter! Ik ga sterven - - -'.
Toen richtte hij zich krampachtig op - - en wierp zich weer krampachtig achterover op zijn bed - - trok de dekens over zijn hoofd en gilde op hartverscheurende toon: "Verloren! Verloren!". Ik trachtte hem te troosten daarmee, dat hij nog in den tijd der genade was, en daar zulk een berouw en leedwezen over de zonden was, de weg tot ontkoming open stond, Die Zelf gezegd heeft dat Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven. Zalig zijn ze die treuren, want zij zullen vertroost worden.

Onderwijl dat ik de geneesmiddelen voorschreef, vertoefde ik nog wat en maakte enigszins kennis met de andere huisgenoten, want mij bleek dat de zieke gehuwd was en met zijn vrouw bij de Ouders inwoonde. Zijn Vader was slechts kort in het vertrek geweest en had door zijn loerende ogen en straf gelaat een ongunstige blik of indruk op mij gemaakt. Op het gelaat van zijn Moeder was diepgaande smart te lezen (zo ik meende). Later bleek ik mij niet te hebben vergist. De schokkende omstandigheden hadden beide vrouwen zeer aangedaan, waarvoor ik hen enige medicijnen toediende. De zieke scheen een ogenblik rustig, van welke ogenblikken ik gebruik maakte om naar zijn zielstoestand te vernemen. Ik weet wel dat de meeste Docters mij zullen uitlachen, dat ik mij daarmee bemoei; toch ?...? ik hun allen hun spot: Jesaja was ook een Geneesheer en nog wel een Koninklijken lijf-Arts, hij heeft de Koning Hiskia genezen. En Docter Lucas, die ook Evangelist was, bestudeerde ook de ziekte der ziel. Ik nu wensch gaarne aan de voeten van die beide Medicijnmeesters te zitten.
Nadat wij enige ogenblikken hadden doorgebracht kwam de Vader met de geneesmiddelen. Ik diende ze den zieke toe. Toen hij het kopje had geledigd, zeide hij: "Ik dank u zeer Docter, gij zijt zeer vriendlijk jegens mij, doch het zal u niets baten, ik ga sterven". Waarop hij andermaal zulk een ijselijke langgerekte gil slaakte, terwijl zijn bed schudde, van het krampachtige trillen van zijn stevig lichaam. Zijn Moeder bitterlijk wenende, kwam wat nader en vraagde hem: "Is de pijn erger Johan?" Hij zeide: "Och Moeder! Wat zu de pijn van mijn lichaam; her (op zijn hart wijzende) her brand het - Het is de rechtvaardigheid van een Heilig God die op mijn ziele brandt - her gevoel ik reeds de smarten der Hel! Weent zo niet Moeder, U zal het wl gaan - gij hebt den weg ten leven bewandeld - maar k ! O wee ! En nu is het te laat - te laat, voor eeuwig te laat - - - -" Zijn Moeder zeide: "Het is nog niet te laat Johan. Nog is het het heden der genade, willen wij samen nog eens bidden, samen tot den Heere Jezus, Dien Zaligmaker gaan?" Hij zeide: "Wat bidden? Mijn tijd is voorbij om te bidden - God hoort de zondaars niet?"
Zijn Vader was intusschen nader gekomen en zeide tot hem: "Wees maar zo bang niet Johan. Gij hebt nooit iemand kwaad gedaan". Johan zeide: "Ik verzoek Vader!, dat gij niet tot mij spreekt, ik heb altijd aan uwe leugens geloof geslagen; nu de dood mij aangrijpt zijn mijne ogen open gegaan, gj zijt de oorzaak van mijn bederf! Reeds vroeg hebt gij mij geleerd om den Bijbel te verachten en ongehoorzaam te zijn jegens God. Toen ik een kleine jongen was, hebt gij mij tot zonde verleid. Als Moeder Zondag in de kerk was, waar gij mij met geweld hebt uitgehouden, dan nam gij mij mee om te visschen en allerlei zonden te bedrijven".
Zijn Vader viel hem in de rede, doch hij liet hem niet uitspreken, en vervolgde de zieke: "Zwijgt Vader! Gij hebt tot mij genoeg gesproken, gij hebt meesterlijk uw werk gedaan, gij hebt met den duivel gespot, nu spot den duivel met u, uwe leugens kunnen mij niet langer bedriegen. Weldra sta ik voor Gods rechterstoel, en wanneer ik mijn rechtvaardig vonnis krijg, zal ik u aanklagen als de werkmeester van mijn eeuwige ellende". Hij trok de lakens over zijn hoofd en slaakte een zucht, zo hartverscheurend, als ik nog nooit had gehoord. Mijn hart schokte in mij van smart en aandoening. Mijne vermaningen tot kalmte baatten niets, hij had naar het scheen geen deernis met zijn lichaam, alleen zijne ziele weegde hem zwaar.

Na enkele minuten gelegen te hebben, richtte hij zich eensklaps op en riep: "Jozef! Waar is Jozef?" Een aanvallige knaap van acht jaar werd aan zijn sponde gebragt; hij omhelsde het kind teder en sprak tot hem: "Jozef! Mijn lieve broeder! Kom eens bij mij en hoor, en onthoudt wat ik u met een stervende mond zeg: Luister nooit naar den raad van Vader, hij zal u verleiden, net als hij mij gedaan heeft. Laat Moeder u leiden, hoor naar haar stem, gaat met haar naar de Kerk, lees en onderzoek den Bijbel, bid vroeg kind! Spiegel u aan mij uwen broeder, die nu voor eeuwig naar de Hel gaan moet." Daarop viel hij achter over met een ijselijken gil. Mijn ziel was verbrijzeld.

Ik schreef nu de beste middelen voor en verliet den woning toen reeds de schemering zichtbaar werd. Ik beproefde enige ogenblikken rust te nemen, doch het scheen vruchteloos. Eindelijk geraakte ik enige ogenblikken in diepen slaap, die echter zeer onrustig waren, en waaruit ik opschrikte door het vervaarlijk gegil van den zieken, aan wiens sponde ik droomde te staan en die ik onder hevige benauwdheden en ijselijk gegil de eeuwigheid zag ingaan.
Toen ik ontsteld opstond wees de klok acht uur. Na enige ogenblikken ontbijt genomen te hebben en mij in het gebed gezocht hebbende, spoedde ik mij naar den zieken. Toen ik daar om negen uur aankwam had de dood een uur geleden een einde aan den ongelukkigen gemaakt. Geen enkel woord van hoop was er uit zijn mond gegaan, integendeel scheen het, hoe meer de dood naderde, hoe meer de folteringen toenamen.
Ik hang een sluier over het toneel, mijne ziel is te zeer geschokt om er meer van te schrijven. Ik heb er niets bij te voegen, dan alleen dit woord: "De Heere is rechtvaardig . . ."

Docter Davis ('Den Zwarten Docter'), uit zijn aantekeningen over zijn ziekenbezoeken.